11.4.19

Willem Kloos

Rozen, ik vind u droef,
  Rozen, mijn tranen breken
Uit oogen, die anders stroef
  En onverbreeklijk keken.

Rozen, uw wit en rood,
  Fel in de lucht opbloeiend,
Schijnt mij géén morgenrood
 Van nieuwe liefde, ontgloeiend.

Maar toch, ik vraag: Bloei door,
  Bloei door in mijn nabijheid:
't Is of 'k u fluisteren hoor
  Het gouden woord van Vrijheid. 

Vrijheid van iedereen,
  Van mensen en van dingen,
Om voor Mij-zélf alleen
  Mijn heerlijk Vers te zingen...

Ach, 't állerlaastste is dit
  Van al die mooie liefde;
Hij, die iets liefs bezit
  Is blijer dan wie liefde.