Kijkend in de Marialaan
Zie ik heden en verleden
Schôon…voor wie het wil zien
Broekhoven en Trouwlaan: goei volk!
Stadsdichter Frederike Luijten en kunstenaar
Corné van de Schoor ontwierpen een deurmat, of eigenlijk een heleboel deurmatjes voor de Lochal. Het bevat een gedicht. Mij valt op dat bezoekers er langs lopen in plaats van eroverheen. Bezoekers worden aangespoord om hun
voetstappen op de mat achter te laten, maar dat lukt dus niet zo goed. Ik vind het erg sympathiek om poëzie een alledaags karakter te geven. Er missen volgens mij nog wel wijken, zoals De Blaak. Toen ik een Loc hal medewerker daarnaar vroeg, schrok hij. Er worden toch geen matjes weggehaald?, vroeg hij zich af.
en Tilburg dèùn èn haove heej gekreege
stòtter gòdwit en gerêûkte pòllingkraom
rèècht vur dees Veejmèrtstraotvurraom
èn dan zudde pòtvergimme moeten vreeze
dè gin meens dees rèmke nòg kan leeze
hoeveel tijd er ook voorbijgaat.
Het bloed dat uit je duimtop gutst,
je nagel zoek in de snijmachine.
De glazen lift naar de zeventiende
terwijl jij al door de grond ging bij de tweede.
Je fiets, zijwaarts op weg naar de stoeprand,
in elk zitje een verbaasde dochter.
Soms iets wat je alleen maar zag:
de jongen na de grote wedstrijd,
Rubiks kubus in de hand, ontroostbaar.
Omdat het geluk gebeurde.
Neem in deze dagen wat tijd voor poëzie. Dit gedicht is uit de laatste bundel van Ingmar Heytze, Met wat geluk. Dat is een aanrader. De foto is stadspoëzie, toch. Uit de Spoorzone. Als ik dat zie, hou ik zo van de stad.
'De kindertijd is fijn.'
Maar voor jou zijn er wel dagen
dat je liever dood zou zijn.
Want jij wordt uitgescholden
door kinderen van je klas,
en je wordt door hen behandeld
alsof je waardeloos was.
''t is zo erg niet,' zegt de meester.
Hij heeft het ditmaal mis,
want op school kan het zo rot zijn
als het later nooit meer is.
Al dat gescheld is later
heel ver van je vandaan.
Je leert ook nog wel verdragen
dat er rotzakken bestaan.
Gedicht Willem Wilmink
Ik vond mezelf dom en slecht en lelijk als de nacht
Ik leefde elke dag als kind dan ook in angst en beven
Mijn leven was meer Jantje huilt dan Jantje lacht
Toen heb ik vanuit het niets zomaar mijn stem verheven
Ik zong mijn eigen lied en ik zong uit alle macht
En het zingen van dat lied was mij echt op het lijf geschreven
Het had volkomen onverwacht een soort van zeggingskracht
En dat is tot vandaag de dag altijd zo gebleven
Nu eens klinkt het hard en schel en dan weer lief en zacht
Dat ik met mijn lied de mensen wat plezier kan geven
Is meer dan ik als kind ooit van mijn leven had verwacht
Gedicht van Jeroen van Merwijk, bundel Zo moeten mensen zijn
Onder wolken vogels varen
Onder golven vliegen vissen
Maar daartussen rust de visser
Golven worden hoge wolken
Wolken worden hoge golven
Maar intussen rust de visser
Het gedicht op de Paleisring onder de Katterug is zo goed als verdwenen. Vergankelijk. Misschien is dat zo bedoeld?
De scheidende wethouder De Vries vraagt een bijdrage voor een neon dichtfragment in de Spoorzone.
Dat heeft niks te maken met de vergankelijke stadspoëzie aan de Paleisring. Snap ik.
Maar in mijn hoofd komt het toch samen. Ik zou die letters weer terug willen. Van Nick J. Swarth en vormgegeven door Sander Neijnens. Nog voordat Antony de Kok schijnt.
'Ik ging naar Tilburg om de ring te zien. Als dagen vlogen ze voorbij, de auto's & bussen. Het werd groen. Ik liep door, meerdere weken kwijt & toch geen spijt'. 'U gaapt. U kijkt. De tijd verstrijkt. Het is precies wat het lijkt: u bent gezwicht voor 't rode licht & wacht, verstoken van 'n tune, doodleuk op het groen'.
is dat wat je denkt
misschien moet je daar eens mee ophouden
moet je eens ophouden
met alles te overdenken
Gedicht Geert Buelens, bundel Ofwa